|
Een verhaal van Henk Heusinkveld (1930 - 2009)
Groot-oma
De ziekenzaal is een kleine haven met zes ligplaatsen.
Ik word deze keer bij de deur afgemeerd. Bij het raam liggen twee
vrouwen voor anker. De andere plaatsen zijn nog vrij. Alleen die
ene vrouw kan ik zien. Een prachtig fregat, hoog opgetuigd. Gelet
op de golving van het laken zou ze grote diepgang kunnen hebben.
Liggend kan ik haar rustig bekijken. Om haar buurvrouw van de
overkant te begluren moet ik mijn hoofd ver omdraaien en dat doet
pijn aan de wond.
De vrouwen kennen elkaar via een of andere vorm van vrijwilligerswerk,
waar ze schijnbaar veel tijd aan besteden. Er valt dus over het
middenpad heen veel te vertellen: over gemeenschappelijke kennissen
en kinderen van die kennissen en over kennissen, die niet gemeenschappelijk
waren maar het nu toch worden en over kennissen in de tweede en
derde graad, want dat waren kennissen van hun kennissen en daar
de kinderen van, weet je wel. Zo vullen die twee de uren en de
leemten in hun kennisbestand.
Het zijn allebei liefhebbende oma's, met harten van goud. De mijne
is al groot-oma. Ze is een geweldige vrouw, vol moederlijke warmte
voor mij. Als ik overgeven moet roept ze onmiddellijk: 'Moet ik
de zuster bellen?' Ik heb geleerd niet met een volle mond te praten
dus ik zwijg boven mijn bakje. De zuster wordt meteen gealarmeerd.
'Het hindert niet' zegt groot-oma. 'Ik weet wat het is'. Dat is
haar enige troost.
Als ik niet slapen kan of een ander malheur heb roept ze: 'Ik
weet wat het is, dat heb ik ook gehad!' Daarmee wordt mijn ongemak
bezworen.
Zo af en toe roept ze: 'Buurman'. Ik probeer in stilte te overleven,
dus pas bij de derde roep kijk ik op en zegt schor: 'Zei u wat?'
'Hebt u geen last van dat gekwek van die twee meiden?'
'Nee hoor,' huichel ik, ' mijn ene oor is nogal doof en het andere
ligt op het kussen'.
'Stille wateren hebben diepe gronden', licht de onzichtbare toe
aan haar opponent.
Prachtig is het bij het bezoekuur. Dan wordt groot-oma een geweldige
kloek. Generaties broedsels komen om haar bed zitten en ze deelt
royaal uit. Voor de gezelligheid doet ze zelf ook mee en houdt
daarmee haar grootheid in stand. Haar man is ook de moeite waard.
Een kleine man. Als hij de zaal binnenkomt blijft hij bij de deur
staan en kijkt glimlachend in de richting van het raam. In zijn
ogen ligt een tevreden blik: ' Dit is allemaal van mij!' zie je
hem denken. Hij gaat steeds naast het hoofdkussen van groot-oma
zitten, kijkt naar buiten over de bossen en zwijgt. Ik vind hem
sympathiek.
Als ik ontslagen word geef ik de oma's een hand ten afscheid.
Groot-oma houdt me een beschuitbus vol kersenbonbons voor. We
nemen er allebei twee. Het papier knispert. Ik herken het knisperend
geluid. Dat heb ik 's nachts vaak gehoord.
|